Eens in de zes weken, loop ik hard. Dan wel in een keer tien kilometer in een uur waardoor ik een week lang kamp met verschrikkelijke spierpijn (en misschien ook wel lichte blessures).

Mijn motivatie en grootse plannen om dan minimaal één keer in de week hard te lopen, verdwijnen hierdoor denk ik ook als sneeuw voor de zon. Maar goed, een paar dagen geleden keek ik uit het raam en dacht ik: “een ideale zaterdag om een rondje te rennen.”

Ik doorzocht mijn kledingkast, daarna het hele huis en na een klein uurtje had ik mijn professionele hardloopoutfit aan. Ja, ondanks dat ik eens in de zes weken hardloop, moet het alsnog in stijl. Het ziet er namelijk al niet uit als je met een rood aangelopen hoofd als een gek buiten gaat rennen. Dus een roze joggingbroek met een geel T-shirt hoeven daar niet bovenop te komen. En nee, geen verzinsels of overdrijvingen, heb het vaak genoeg voorbij zien komen.

Na fase 1 doorlopen te hebben, kwam fase 2. Als mijn vader thuis is, (wat zaterdag het geval was) wordt het me niet bepaald makkelijker gemaakt. Er kunnen zich namelijk twee situaties voordoen, of eigenlijk 1 waarvan de vervelendheidsgradatie kan verschillen:

1. Ik krijg minimaal tien minuten een preek over het feit dat ik onvoorzichtig ben en altijd maar rare dingen doe. Want stel je voor dat ik tijdens het hardlopen ergens in the middle of nowhere neerval en er dus niemand is om mij op te vangen.

2. Ik krijg dezelfde soort preek en ga vervolgens hardlopen, maar krijg ondertussen nog een telefoontje met de vraag waar ik ben. Als ik dan niet opneem, ben ik niet gewoon aan het hardlopen, maar lig ik ergens dood te gaan en zal ik nooit meer teruggevonden worden. Dus om mijn vader een hartstilstand, of iets wat erop lijkt, te besparen, neem ik op.

    “Pa.. ik *hijg* ben *hijg* aanhethardlopen.”

Doei ademhalingsritme, doei energie, doei concentratie. Maar ach, voor papito heb ik alles over.

Inmiddels was ik aangekomen op het punt waar ik een van de moeilijkste beslissingen moest nemen; ga ik vandaag voor vijf of tien kilometer? Doe eens gek, dacht ik en besloot om onder de brug door te gaan wat maakte dat mijn hardlooprondje van deze zaterdag tien kilometers lang zou zijn.

Na een paar kilometers verder te zijn bevond ik me, zonder het door te hebben, in een van de Flevolandse bossen. Het prachtige en kleurrijke tapijt van afgevallen bladeren vertelt mij dat de zomer definitief afscheid heeft genomen en dat de wintermaanden smachten om ons te mogen verwelkomen. Ook het bospaadje is door de dorre bladeren niet meer te onderscheiden van het ‘onbewandelbare’ gedeelte van het bos. Grenzeloos.

“Thamouth enegh negreth, teni nmiden nbnet. Arif enegh netouht, wes nsek bou tabret” (Vertaling: wij hebben ons land uitgeput en dat van anderen hebben we (op)gebouwd. Wij zijn onze Riff vergeten en zelfs een brief hebben wij haar niet gestuurd). Klonk er door mijn oordopjes heen terwijl ik een deel van mijn parcours op de dijk aan het afleggen was. Ik bedacht me of ik mij nu eigenlijk aangesproken moest voelen, want ergens doe ik dat wel. Zowel mijn ouders als grootouders zijn van Berberse komaf, mijn moeder is in Nederland geboren en mijn vader in Marokko. Ik ben geboren in Nederland en spreek, denk en droom in het Nederlands. Ik kan mij verstaanbaar maken in het berbers én Marokkaans-Arabisch, maar het tweede gaat me makkelijker af. Velen vinden mij een cultuurbarbaar en voor mijn buurtbewoners ben ik een Marokkaanse. In Marokko ben ik een Nederlandse en in Nederland ben ik een Marokkaanse. Links van me zie ik het Ijsselmeer, rechts van me het bos waar ik vandaan kwam en daartussen een smal weggetje waar af en toe een auto overheen rijdt. En zo ver mijn oog reikte, zag ik niets anders, wederom eindeloos.

Ik pakte mijn telefoon en zag dat ik nog één kilometer te gaan had. Ik raapte mijn kleine beetje energie op om voor alsnog de tien kilometer te bereiken. Het lukte, want dat moest. Tien kilometer in een uurtje (naar beneden afgerond =)), niet slecht voor iemand die om de zes weken hardloopt. Ik voelde regendruppels op mijn schouders vallen en wat kwamen ze als geroepen. Bloedheet had ik het.

“Afscheid nemen bestaat niet, ik ga wel weg maar verlaat je niet. Mijn lief je moet me geloven, al doet het pijn.. Ik wil dat je me loslaat.” De shuffleknop doet zijn werk in ieder geval uitstekend. Dank je wel Marco, dank je wel. Mijn Riff, mijn roots, ik ben weg, maar heb je zeker niet verlaten. Jouw prachtige bergen zijn niet te vervangen door het koude tapijt van de meest warme kleuren en andersom net zo. Ik hou van je, ik ben trots op je en dat zal ik altijd met mij meedragen. Nederland is mijn thuis, maar mijn identiteit is net zo grenzeloos als haar bospaadjes en haar alledaagse excentrieke vlaktes.


Op de hoogte blijven van meer columns? Like ons dan op facebook en volg ons op twitter.


Yellah, deel a mattie
Imane Boubkari
Een kleine, altijd lachende, student aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, dat is Imane. Doelgericht, ambitieus en van het leven genietend, tracht zij het beste uit de dag én uit zichzelf te halen. Zij gelooft en werkt aan een samenleving, waarin het niet mag uitmaken waar jouw wieg heeft gestaan, een samenleving waarin kwaliteiten en deugden doorslaggevend zijn; een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here